Posts tonen met het label onderzoek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label onderzoek. Alle posts tonen

dinsdag, april 23, 2013

Outdooronderzoek in de schijnwerper

Het buitenreclameonderzoek ligt onder vuur. JCDecaux laat het er bij monde van Bart de Vries niet bij zitten. Als fan van het onderzoek, kan ik zijn betoog alleen maar onderschrijven.


1 dingetje. Begrijpelijk dat je zo'n verhaal niet op een Abri of Billlboard kalkt, zelfs niet digitaal. Je gebruikt de vorm die het sterkst communiceert, namelijk de audio-visuele vorm. Dan is het beter om niet te gaan afgeven op het medium dat gebaseerd is op AV: TV. En als PS, Bart de volgende keer alsjeblieft 'real life' in beeld, want jouw comic alter ego leidt misschien te veel van de boodschap af.

dinsdag, november 20, 2012

The Tubes Forever


Wat een dag voor TV! Ten eerste werd ik door verschillende nieuwsbrieven attent gemaakt op een gloed nieuw rapport door Deloitte in samenwerking met SPOT en GFK: "a new breed of media?" met als pakkende ondertitel "Report on TV myths & truth". Of, zoals Marketingfacts het verwoordde "TV passé? ... Ik dacht het niet".

Het is niet in de stijl van "De wereld" om teksten van anderen te herhalen. Wat ik wel aan iedere geinteresseerde zou willen aanraden is de links te volgen en kennis te nemen van het onderzoek (in Engels) en de bespreking daarvan. The Tube is not dead yet. Jammer dat er meteen wordt geroepen dat de samenwerking met SPOT verdacht is. Dat zou echter betekenen dat als Deloitte maar genoeg betaald krijgt zij alles aan de wereld presenteren. Dat lijkt wel heel kort door de bocht en zou Deloitte een korte levenslijn bezorgen.

Goed, of dat nog niet genoeg is heeft SPOT er ook voor gezorgd dat 21 november, World Wide (ww) de Dag van de Tube wordt. Wat dat SPOT toch niet vermag! Het is tergend?

Jaap Bloem liet op Marketingfacts blijken er kijk op te hebben: The Tubes gaan nooit verloren. Zo is het maar net. Luisteren er naar is een groot plezier, er naar kijken enorm veel groter.

Doen!

maandag, december 12, 2011

Social media socialer!?

Volgens Forrester ontwikkelen social media zich de komede tijd (geen frame) tot een sneller, efficienter met een hogere waarde ten opzichte van de tijd die mensen eer aan besteden ten opzichet van de huidige situatie. En passant: het einde van hypes zoals FourSquare en tegelijkertijd- ongetwijfeld - een toename van 'hypes' maar met een kortere doorloop tijd. Want tijd daar gaat het u en mij aan ontbreken. En DAT klinkt mij heel logisch in de oren.

Bekijk en beluister de presenattie van George Colony hier

maandag, juli 19, 2010

Reclameprofessor toch niet zo gek!?

Naar aanleiding van de post “Nutty reclameprofessor” deelt Geert-Jan Baltus zijn visie op het interview met ons op ‘Alleswereld’. Geert-Jan is merkstrateeg/planner bij Woedend! in Amsterdam.



"Ondanks het feit dat Fennis stellig is in zijn overtuiging dat reclamemakers te weinig kennis hebben over de psychologie van de mens en dit onvoldoende toepassen in hun werk, moet ik zeggen dat ik veel waarheid zie in wat hij schrijft.

Natuurlijk is er een eeuwige strijd tussen wetenschappers en creatieven waarbij de ene partij zegt dat intuïtie te onbetrouwbaar is om op te varen en de andere partij zegt dat (wetenschappelijke) onderzoek slechts open deuren in trapt en het creatieve denken knecht.

Maar aan de andere kant is het wel degelijk zo dat een hoop kennis over de werking van de menselijke geest ongebruikt blijft in de creatieve industrie. Kennis die gebruikt kan worden om een creatief concept of campagne plan te onderbouwen en te verkopen.

Ik zeg niet dat het niet gebeurt, maar wel dat het te weinig gebeurt. Het algemene kennisniveau over mensen (wat toch het centrale onderwerp is in ons vak); over hoe ze in elkaar steken, zich onderling bewegen en met elkaar onderhouden mag en kan best een beetje hoger zijn.

Deze kennis zou meer gebruikt moeten worden om opdrachtgevers meer zekerheid te geven dat het product dat ze kopen echt gaat werken (en er niet alleen heel cool uitziet). Een onderbouwd plan van aanpak van hoe een campagne gaat werken en een op maat gemaakt meetsysteem om deze werking ook daadwerkelijk te kunnen volgen is volgens mij een noodzakelijkheid voor elk campagnevoorstel. In de praktijk zie je dit echter zelden. Vaak ook omdat er door opdrachtgevers zelden om gevraagd wordt.

Als dit meer zou gebeuren krijgen bureaus zelf meer zicht op de effectiviteit van hun werk en hoeven we met z'n allen niet zo blind te varen op (gestandaardiseerd) marktonderzoek, waarvan in veel gevallen de gehanteerde methodieken al jaren achterhaald zijn.

Te vaak wordt reclamewerking gezien als een simpel en gemakkelijk manipuleerbaar procesmodel. Dit is echter een vreselijk achterhaald gedachtegoed. De meest gebruikte exponent hiervan, AIDA, is niet eens bedoeld voor reclame- of communicatiedoeleinden maar was slechts een model om deur-tot-deur verkopers te ondersteunen. Maar er zijn in het vak te weinig mensen die het model wantrouwen en dus wordt het te pas en te pas gebruikt in briefings en campagnevoorstellen.

Het probleem is, volgens mij, dan ook het blind volgen van wat iemand ooit eens als een standaard heeft gebombardeerd. Het probleem is het onvoldoende nadenken over hoe mensen in elkaar steken en hoe deze mensen in hun dagelijks leven bezig zijn met je product of dienst. Er wordt te weinig gezocht naar alternatieve kennis of modellen dan de meest gangbare. Elkaar na-papegaaien is eerder regel dan uitzondering. Er wordt teveel uit routine gehandeld, zonder zelf na te denken of verder te kijken dan de neus lang is.

De kennis over hoe mensen tot hun houdingen, meningen en beslissingen komen is er wel degelijk. Maar we hebben het dan over een complex interactiesysteem waarin een veelvoud aan invloeden werkzaam zijn. Deze invloeden doen hun werk niet, zoals aangenomen, procesmatig (als een klok), maar simultaan (als een wolk). Omdat mensen nu eenmaal niet in staat zijn alle prikkels bewust te verwerken en veelal gebruik maken van vuistregels en sluiproutes in hun informatieverwerking, speelt het onderbewustzijn een grote rol. Daar moet je je als reclamemaker bewust van zijn en in je creatieve concept en campagneplan rekening mee houden. Enige kennis hierover helpt zeker mee.

Het komt reclamemakers in hun dagelijkse praktijk vaak niet van pas dat deze kennis minder gestructureerd en ingewikkeld is. Aangezien complexiteit niet lekker verkoopt en we met z'n allen liever snel door de bocht willen, worden er op dit gebied een hoop kansen gemist.
Zoals al wordt aangegeven zijn er geen gouden formules of gouden regels, maar volgens mij heb je als reclamemaker een verantwoordelijkheid om je voortdurend zo goed mogelijk op de hoogte te stellen van zoveel mogelijk beschikbare kennis op het gebied van de menselijke geest, menselijke motivaties en drijfveren. Essentiële kennis om uit te putten op het moment dat je een campagne aan het ontwikkelen bent.
Je kunt namelijk niet steeds dezelfde modellen en routines afdraaien, want dan ga je nat. Ieder probleem heeft z'n eigen oplossing nodig en dan kun je maar beter zo goed en zo breed mogelijk op de hoogte zijn en alle alternatieven kennen. Dan kun je daar uit putten om je aanbeveling zo goed en gefundeerd mogelijk te onderbouwen en de effecten ervan te meten.

Ook al is de houding van Fennis nogal pretentieus en dogmatisch, ik zal toch zijn boek lezen om me op de hoogte te stellen van wat hij schrijft. Het zou namelijk altijd van pas kunnen komen. "

zondag, juli 18, 2010

Reclame is het mysterie van de hippe bril

In VK van 5 juli stond een interview, met Bob Fennis, over reclame en psychologie.

Naar aanleiding van dat interview schrijft Willem van Hees op 15 juli een reactie op de pagina Opinie en Debat (p16) van VK.


Al langs en om het onderwerp meanderend, ‘en passant’ enkele verwante artikelen in de VK van 8 juli aanhalend, komt hij in zijn laatste alinea ‘to the point’: Reclame is niet te analyseren”!

Dat wil zeggen, met de kennis van vandaag, kunnen de successen (en misstappen) van gisteren heel ver worden ontrafeld. Maar de kennis van vandaag én gisteren heeft een beperkte voorspellende waarde voor morgen. Grote successen blijken maar al te vaak ‘toevaltreffers’ die onverwacht omarmd worden door ‘de consument’. Die consument evolueert door van dag tot dag, op een volstrekt ongelijkmatige wijze, afhankelijk van prikkels in zijn nabije omgeving..

Dit betekent, wat mij betreft, niet dat reclamemakers aan de psychologische kennis over reclame(ver)werking door consumenten voorbij moeten gaan. Aan de andere kant gaat het te ver om te suggereren dat die kennis een boodschappenlijstje oplevert dat een blauwdruk is voor (reclame) succes.

dinsdag, juli 13, 2010

Nutty reclame professor?

Aanleiding voor deze ‘post’ is een vraaggesprekje (interview?) dat Paul Onkenhout maandag 5 juli 2010 publiceerde in de Volkskrant op de paginas “Media en Mensen”: “In reclamemakers heb ik totaal geen vertrouwen”.
Aan het woord is hoogleraar Consumer Behaviour, Bob Fennis. Mede auteur van een boek. De Adformatie van 1 juli met op pagina 6 het artikel “Creatieven op niveau AIDA” was mij ontgaan, en daarom reageerde ik negatiever op het Volkskrant artikel. Even enkele citaten:

De consument is onbeschermd wild, “onderzoek…laat een overweldigende rol zien van .. onbewuste beïnvloeding door reclame beïnvloeding die onder de radar duikt”.
“Reclame heeft een grotere invloed dan we altijd dachten…en dat is de griezelige boodschap van ons boek. Effecten zijn niet altijd dramatis..groot..maar ze zijn er wel …structureel en subtiel. Heel lang werd dat ontkend.”

Door wie, vraag ik dan? Door wie wordt dat ontkend? Vooral door mensen die graag wilden dat het niet waar is, zo vermoed ik. Tegen beter weten in.
Want als al die kostbare commerciële communicatie geen structureel effect zou hebben, waarom dan nog adverteren?

Wat hier natuurlijk nog veel sterker de aandacht trekt zijn de zinsneden “onder de radar duikt” en “subtiel”. Personen die reclame per definitie in een kwaad daglicht zien richten daarop direct de focus (zoals ook te radiomakers van ‘de Praktijk’ en ‘Radio Kassa’ en een site zoals Leefbewust). In deze hoeken  duiken dan direct ook weer de verwijzingen op naar ‘subliminal advertising’, waar Fennis vervolgens gretig op inhaakt.
Ook al zou het beter zijn om zijn eigen woorden van de goede context te voorzien.
Een mooi voorbeeld van subtiel onder de radar duiken, meneer Fennis?

En zo gat het vervolgens maar door in het Onkenhout-interview. Het zou natuurlijk kunnen zijn dat de manier waarop Onkenhout het allemaal heeft opgeschreven verantwoordelijk is voor mijn ‘nare smaak in de mond’ bij het lezen van de tekst, want iedere paar zinnen is er wel iets te vinden waarvan het bloed kan gaan borrelen. Maar oordeel vooral zelf.

Kennelijk hebben nog weinigen uit het vak echt kennis genomen van de interviews met Fennis, want op het net tref ik bijzonder weinig reactie. Wel, beste reclamemakers en aanverwanten, de boodschap van Bob Fennis is dat u er niets van bakt, en als uw baksel een keer slaagt dan is dat: toeval!

Voor mijzelf telt de tekst waarmee het artikel opent zwaar. In de uitzending van ‘de Praktijk’ (23 juni) zegt Fennis dat consumenten elke dag wel duizend reclame impulsen te verwerken krijgt. Dan komt het; “ik verwees naar dat getal omdat het in studies wordt genoemd. Op de weg naar huis twijfelde ik aan dat aantal … na een half uur tellen had ik er tweehonderdzoveel gezien, dus waarschijnlijk is de schatting nog aan de lage kant.”

Juist. Halverwege de 80-er jaren van de vorige eeuw stelden professor van Cuilenburg en Giep Franzen dat het aantal reclame impulsen waarmee consumenten per dag worden geconfronteerd ergens lag tussen de 1000 en 1500. De letterlijke tekst die van Cuilenburg op die vaststelling liet volgen luidde: “het informatie aanbod is over 15-20 jaar 4,2x zo groot als thans het geval is”. En Franzen (Intermagazine 1988) “per generatie (30 jaar) verviervoudigt de marketingcommunicatie”.

Kortom, een schatting dat wij vandaag de dag bestookt worden met 3000+ commerciële impulsen is helemaal niet raar. Mooi dat het wetenschappelijke telwerk (een half uur) van Fennis de voorspellende woorden van Van Cuilenburg nu dus ondersteunen.

Jammer dat Fennis beide voorgenoemde mannen kennelijk heeft gemist in zijn poging om 50 jaar wetenschappelijk psychologisch onderzoek samen te vatten. Fennis claimt nu dat hij nu weet hoe reclame werk, maar hij vertelt het ons niet, ook al weet hij dat wij nog niet half weten hoe reclame werkt. Dat is maar goed ook stelt hij, voor die kansloze consumenten. Als we mogen geloven wat wij lezen sluit hij af met; “Ze (reclamemakers) zijn vaak innemend, maar om hel eerlijk te zijn er zit altijd bellenblazerij omheen, een verhaal dat nergens op gebaseerd is.”

Wij zullen zijn boek ‘The psychology of Advertising' moeten kopen om vast te kunnen stellen welke ‘Hocuspocus’ Fennis zelf heeft gevonden en toegepast. Hoewel ik het gevaar loop dezelfde fout te maken die Fenis maakt, houd ik voorlopig meer vertrouwen in reclameman Franzen’s ‘Hoe reclame echt werkt’ uit 1992.

En dat ondanks de inleiding van dit boek, waarin Franzen aangeeft dat er geen toverformules en/of gouden regels in te vinden zijn.

maandag, december 07, 2009

Komt een huisvrouw bij een onderzoekbureau….

“Ik let nooit op reclame. Ik koop alleen bekende merken!”

Wanneer was dat? In de jaren 80, 90? Of van alle tijden? Ralph Wisbrun citeerde haar nog maar eens in het kader van de afsluitende vraag van een interview naar aanleiding van zijn oproep tijdens de recente VEA jaarvergadering.
Daar pleitte hij voor minder reclame, maar dan wel van een kwalitatief beter niveau. De afsluitende vraag luidde dan ook of Wisbrun verwachtte dat consumenten in dat geval weer meer open staan voor reclame. Vanzelfsprekend beaamde Wisbrun deze welhaast retorische vraag bevestigend en voegde daar voor het dramatische effect de bovengenoemde, ‘legendarische’, uitspraak van de ondervraagde mevrouw aan toe. Reclame werkt!

En zo is het!

Maar hoe reclame nu precies werkt, dat weet niemand. Precies.
De invloeden zijn omvangrijk en veelzijdig. Boekenplanken vol zijn er over het onderwerp gepubliceerd, op basis van een eindeloze hoeveelheid onderzoeken.
(Latente) interesse is zonder meer de belangrijkste factor die aandacht aan reclame laat schenken. Kwaliteit van de reclame speelt in de daaropvolgende hiërarchische ladder van belangwekkende elementen een rol. Deze rol is echter lang niet zo sterk als het begrip kwaliteit zou doen veronderstellen.
Regelmaat echter wel. Vele onderzoeken hebben aangetoornd dat juist regelmatige confrontaties, en dan liefst ook nog zo kort mogelijk voor een potentieel aankoop moment, grote invloed heeft op consumenten(gedrag).

Opmerkelijk dus dat Wisbrun pleit voor minder reclame per individuele adverteerder(?). Terwijl er recent juist stemmen opgaan om, nu de interactieve technieken dat mogelijk maken, in permanent contact met consumenten te treden. Tijdens een MWG bijeenkomst op 17 november hield Tom Himpe van Ag8 de zaal voor “Merken bewegen van campagnes naar een 24/7 aanwezigheid”.
Toegegeven, Himpe bedoelde daarmee geen spotcampagnes maar, hoe dan ook, reclame is het wel.

Dus is de kardinale vraag, hoe stelt Wisbrun zich dat voor? Uit het hier aangehaalde interview in de Volkskrant van 4 december blijkt het plan te zijn een ‘code’ te ontwikkelen. Die moet ondermeer leiden tot beter reclame? Daarnaast een gezamenlijk streven naar minder reclame.

Oh ja. Dat kunnen de reclamebureaus natuurlijk niet alleen bewerkstelligen. Er is ook steun nodig van de pers, de politiek en de (niet VEA) reclamebureaus en de mediabureaus.
Twee cruciale partijen ontbreken volgens mij in die opsomming: adverteerders en de media-exploitanten, dunkt mij.

Komt een reclameman bij de dokter......(wordt vervolgd)

maandag, december 15, 2008

Non Discussie? Over fragmentatie van TV kijken!

Non discussie? Door wie dan?
(voor begrip van onderstaande tekst verdient het aanbeveling om de aanleiding via bovenstaande link tot je te nemen)
Vanaf het moment dat commerciële televisie zijn intrede in de Nederlandse markt heeft gedaan, wordt er gesuggereerd dat het TV-bereik fragmenteert. En dat is zo. Er kan gekozen worden uit meer zenders. Daar bekijken consumenten programma’s. Hierin zit meteen de crux van de fragmentatie discussie. Mensen die TV kijken, kijken naar programma’s. Voor het overgrote deel van de kijkers is het niet of nauwelijks van belang waar dat programma wordt uitgezonden. Wat je dan ook ziet is dat exploitanten van de brede publiekszenders (PO, RTL en SBS) allen in staat blijken om 80-90% van dekijkers te bereiken. Dat is in de afgelopen jaren de basis geweest voor de zogenoemde ‘2 exploitanten deals’ die populair waren (zijn) in een poging om de kosten per GRP zo laag mogelijk te houden (maar dat is een andere discussie).
Feit blijft dat televisie door de verbreding van het aanbod aan zenders, en daarmee programma’s, veel meer mogelijkheden tot segmenteren heeft gekregen. Adverteerders betalen voor bereik in de doelgroep 20-34 – die kijkt ‘zo’ slecht TV (?) – al meer dan 10 jaar veel minder dan in de tijd dat Nederland nog gezegend was met 3(!) publieke zenders, waar slechts mondjesmaat geadverteerd kon worden.

Het hele fragmentatie verhaal is momenteel dus inderdaad vrij onzinnig, en wordt vooral in stand gehouden door partijen die er baat bij hebben dat adverteerders twijfelen aan de mogelijkheid van het medium om binnen doelgroepen een (effectief) bereik en effectieve contactfrequentie te realiseren binnen een relatief korte tijd tegen zeer acceptabele kosten.
Dat het Spot 2008 rapport het fragmentatie verhaal opeens doet oplaaien, zal dan ook een onbedoeld effect zijn. Paul van Niekerk mag dat best eens fermer pareren. Hij zit immers boven op de cijfers die mijn betoog staven.

“Ja maar” hoor ik alle mensen roepen die iets meer kennis van zaken hebben; “wat dan over ‘overload/clutter’, reclame vermoeidheid, -weerzien, -vermijding?”. Dat komt toch door die fragmentatie?
Ik vind van niet. Dat de markt met 10 zenders heel goed te bereiken is, en met 20 nagenoeg helemaal, biedt in potentie de mogelijkheid om die fenomenen veel beter te beheersen dan nu gebeurt (want daar kan ook ik mijn ogen niet voor sluiten). Maar dat is dus die andere discussie. Een discussie die te maken heeft met concurrentie om de advertentie Euro door de zenders en het onder andere daardoor stevig gevoede gevoel aan adverteerderzijde dat bereik en contacten op televisie niets mogen kosten. De planning er van trouwens ook niet. Het heeft TV-planning 20 jaar terug in de tijd geworpen en zorgt op allerlei fronten, niet in de laatste plaats bij de TV-kijker voor onvrede.


Dat gezeur over fragmentatie van televisie kijken sec, is dus vooral een non discussie, ja..

vrijdag, april 11, 2008

Andere tijden ? 1


Metro botst met kranten over onderzoek, zo opent Adformatie 13 van twee weken geleden. Natuurlijk gaat het ook om geld. Geld dat Metro ‘opeens’ in ruime mate dient te betalen voor rapportage van haar bereikcijfers in NOM. Of dat terecht is, daar kan ik niet over oordelen, en dat is voor dit stukje eigenlijk ook niet zo belangrijk.
Wat mij opviel was dat Metro-man Silvio de Groot het Cebuco verweet “dingen te doen die tegen gratis kranten zijn gericht”. Daarbij verwees Silvio naar een Cebuco publicatie van enige tijd geleden, waarin werd gesteld dat de binding die lezers met een betaalde krant hebben sterker is. Ik zeg; ’als je bereid bent ergens voor te betalen, dat zou mij dat niet verbazen'. Maar waar is het bewijs, want je kan je ook wel gedwongen voelen om te betalen, bij gebrek aan iets wat je nog liever zou lezen. Bovendien, voor de gratis bladen zou die binding best wel eens heel sterk kunnen zijn, ‘juist’ omdat ze gratis zijn. We zijn hier immers in Nederland. Waar blijft dat ‘kranten-breed’ onderzoek?

Ondertussen zijn we 2 weken verder, en hebben de airbags kennelijk hun werk gedaan, want het is volstrekt rustig aan het oppervlak van de krantenvijver. Ik heb echter nog een kiezel in mijn toetsenbord die weer wat rimpeling teweeg mag brengen. Die kiezel is de afsluitende quote van het gememoreerde artikel, opgetekend uit de mond van ‘scheidend’ Cebuco directeur Cees Polman:

“Toen dat Cebuco boekje uit kwam vertegenwoordigde het Cebuco ook nog geen gratis kranten.”

Wat staat daar nu? Zou het Cebuco, als de freebies zich wel direct hadden aangesloten (of is het “mogen aansluiten”) de gewraakte karakterisering achterwege hebben gelaten? Is er van die hele binding en herkenning helemaal geen sprake, of geldt die juist wel degelijk ook voor gratis krantjes”. Wordt straks de oplage van "krant is Koning" via een recall weer ingenomen, en krijgen wij een herziene versie? Heel intrigerend.

zaterdag, maart 01, 2008

‘Oude’ media hebben toekomst!

Column geschreven voor de Zenith Op-ti-date van maart 2008


Rond de jaarwisseling verscheen in de USA het rapport “The state of Media Democracy”.
Dit online onderzoek is uitgevoerd door de Harrison Group, in opdracht van Deloitte & Touch, onder 2200 personen tussen 13 en 75 jaar. Doel van het onderzoek is het geven van inzicht hoe de verschillende generaties omgaan met media. Door het onderzoek regelmatig te herhalen worden bovendien ontwikkelingen in beeld gebracht, en geven de gecombineerde data de mogelijkheid om gegronde voorspellingen te doen.

De recente resultaten hebben een ware 360° benadering gekregen uit de ‘mediawereld’. Met andere woorden, oude media en nieuwe interactieve-, mobiele media of anderszins vonden allen aanleiding om de eigen toekomst in een zonnig perspectief te plaatsen. Vooral nieuwe media doen dat ten koste van oude media, en vooral TV. De oude media vertegenwoordigers kijken veel meer naar de interactie tussen media, en dat is vooralsnog de meest objectieve vorm.

In het rapport worden 4 generaties onderscheiden:
Millenials 13 – 24 jaar
Gen X 25 – 41 jaar
Boomers 42 – 60 jaar
Matures 61 – 75 jaar

In het algemeen toont het onderzoek overduidelijk aan dat ‘User Generated Content’ (UGC) bij alle consumenten een grote vlucht neemt. 51% geeft aan een grote interesse te hebben in het lezen en bekijken van wat andere consumenten belangrijk genoeg vinden om zelf te publiceren. Hoewel die interesse wel sterker is ontwikkeld bij jongeren, is het zeker niet zo dat dit fenomeen zich vooral tot die groep beperkt.

Millenials
Het zal niet verbazen dat jongeren voorop lopen in het omarmen van de mogelijkheden, en dus ook media, die de nieuwe technologie hen biedt; games, entertainment platforms, USC, Instant messaging (IM), SMS en sociale netwerken. En dat met een intensiteit die uitstraalt en effect heeft op oudere generaties.
Wanneer Millenials iets tegenkomen dat zij de moeite van het ‘delen’ waard vinden, dan wordt dit met een grote reikwijdte uitgezonden. Hun IM en SMS lijsten bestaan uit gemiddeld 37 mensen (tegen gemiddeld 17 voor de hele populatie). Wanneer zij een bepaalde TV show of website bijzonder waarderen, dan vertellen zij dat gemiddeld 18 mensen (10 voor de hele populatie). Het is vervolgens niet vreemd dat het onderzoek voor deze groep ‘vindt’ dat ‘Word of mouth’ (WOM) de belangrijkste reden is om websites te bezoeken (gevolgd door TV reclame).
Persoonlijk vind ik dit een belangrijke opbrengst uit dit onderzoek, die ik verder niet veel ben tegengekomen in publicaties over dit onderzoek. Die WOM overdracht moet ergens vandaan komen, en dat zijn in belangrijke mate de ‘oude’ media, waarvoor – ook - Millenials een hoge mate van affiniteit ten toon spreiden.
Zo gebruikt 60% intensief magazines om te weten te komen wat er nu ‘hip & cool’ is, als het gaat om bijvoorbeeld kleding, auto’s en muziek. Van deze groep prefereert zelfs ruim 70% het lezen van magazines om die reden, al realiseren zij zich dat zij die zelfde informatie ook online kunnen vinden. Logisch, want daar is die informatie verspreid geraakt, terwijl het magazine een gebundeld totaal overzicht biedt. Voor de Millenials geldt dat veelbelovende nieuwe en favoriete TV shows het ‘web’ verslaan als ‘meest besproken media onderwerpen', een feit dat voor de hele populatie gevonden is. Maar, zoals er ergens wordt verzucht; “Die TV staat ook altijd en overal aan”. Dat is buiten de USA, natuurlijk niet overal hetzelfde.
Hoe dan ook, naast de confrontatie met het TV-scherm zelf, bezoekt de helft van de Millenials ook nog eens TV websites per week. Het onderzoek voorspelt een grote toekomst voor dit type sites. Die voorspelling vindt zijn oorsprong in de gegevens dat alle onderzoek deelnemers, en Millenials in het bijzonder, er op gebrand zijn TV en Internet met elkaar verbonden te zien. Het TV scherm laat zich toch prettiger bekijken. Het ‘Home Media Centre’ duikt hier weer op.

Daar houdt het wensen pakket overigens niet op. Consumenten willen (programma-) inhoud probleemloos kunnen verplaatsen naar elk denkbaar apparaat dat zij bezitten. Het gewenste alternatief is één apparaat dat hen in staat stelt elke communicatie- en entertainment activiteit te laten doen. De vraag is wel wie dat straks kan betalen? Millenials stellen hier wel de hoogste eisen, maar wanneer duidelijk is dat voor 60% van de jongste (13-18 jaar) en zelfs ook nog 25% van de ouderen (19-24 jaar) de rekening van het mobieltje door iemand anders (ouders) betaald wordt, dan is ook duidelijk dat hier grenzen zullen gelden.

Als het op reclame aan komt, dan vormt zich min of meer hetzelfde – positieve – beeld voor de ‘oude’ media. Ruim 60% geeft doorgaans meer aandacht aan advertenties in magazines of dagbladen, dan aan online reclame. Online reclame gaat een nieuwe uitdaging tegemoet in de komende jaren. Immers, meer dan een kwart van de respondenten geeft aan best bereid te zijn om voor online 'content' te betalen als zij dan verschoond blijven van reclame. Een déja-vu.

Gen X
Deze generatie heeft in haar jeugd de explosieve groei van ‘media- entertainment’ mee gekregen, en hecht daar vandaag nog steeds veel waarde aan. Zij zijn dan ook het meest geïnteresseerd in algemene lifestyle en personal/special interest informatie, waaronder ‘celebrity’ en entertainment nieuws. Ook deze groep is een belangrijke bezoeker van TV-show-sites.
Online is Gen X meer te karakteriseren als surfer, dan als (‘social’) netwreker.
Gen x, en de Boomers, zijn de grootste fan van de Digital Video Recorder (DVR met Tivo). De allerbelangrijkste reden (66%) van die liefde is de mogelijkheid die het apparaat biedt om programma’s op een zelf gewenst moment te kunnen bekijken (time shift). Dan volgt de mogelijkheid om op deze wijze hele TV show seizoenen te kunnen bekijken, en op de derde plaats het vermijden van reclame. Dat laatste is overigens belangrijker voor vrouwen dan voor mannen.

Matures
Naar algemene verwachting zijn Ouderen print ‘sweethearts’, maar hun interesse en gebruik van electronische media kan niet worden onderschat. Het sociale aspect is hier het belangrijkst (mail, Instant messaging, blogs, etc.). Het blijkt echter ook uit de vraag “in hoeverre men zich een ‘broadcaster’ van eigen media waant”. 32% van de consumenten reageerden hier bevestigend op. Ten opzichte van Gen X en de Boomers (resp. 38 en 23%) steekt de 10% voor de Ouderen lang niet zo schril af als het kale cijfer suggereert. Ook is dit de groep die ondertussen substantieel de mogelijkheden van het net benut voor het doen van aankopen.
Natuurlijk neemt TV nog steeds een voorname plaats in bij ouderen.

Boomers
Boomers staan eigenlijk, qua mediagebruik, met één van beide benen in de Gen X en Matures generaties.

Leve(n) de traditionele media?
Een volmondig ja. Ondanks de nog steeds toenemende populariteit van het Internet, blijven de ‘oude’ media, TV en print, diep geworteld in alle generaties. Natuurlijk verliezen zij terrein aan Internet, maar het aandeel in tijdbesteding en de relevantie blijven onverminderd hoog, wat nog eens kan worden geïllustreerd met de volgende feiten:

79% van alle consumenten bespreekt zijn favoriete TV programma met vrienden, familie of collega’s. 38% doet dat zelfde over favoriete websites.
72% van alle consumenten leest graag een magazine, dat cijfer is consistent over alle categorieën.

De onderzoekers concluderen dan ook dat TV (kijken) nog altijd een kern activiteit is. Niet zo zeer in de zin dat het een hoofd activiteit is, maar “de TV staat altijd aan”, ook tijdens het ‘gamen’, SMS-en en surfen. Het kijken ‘met een half oog’ is ingebakken en betekent niet dat TV (reclame) minder effectief is:

Internetverkeer wordt in hoge mate gedreven door Search engines (84%) en WOM (82%). TV reclame neemt als bron voor website adressen de derde plaats in. (stimuleert mijn vermoeden dat de WOM-score in niet geringe mate voortkomt uit diezelfde TV reclame.)

In dit kader wekt het geen verbazing dat de onderzoekers voorspellen dat TV een vooraanstaande rol blijft spelen in het toekomstige medialandschap. Er wordt dan, mede via de TV websites, een stap gemaakt naar ‘participatory’ TV, met een (hoge) mate van interactiviteit. Voortschrijdende technologische ontwikkeling en de kundigheid van de (new) Millenial zullen de toon zetten.

Conclusie
De Nederlandse mediamarkt is geen spiegel van de Amerikaanse (USA) markt. Gezien echter de commerciële staat van TV in de USA en de status die het medium desondanks handhaaft, is mijn verwachting dat het in Nederland niet heel anders zal gaan verlopen. Daar komt bij dat, hoewel mensen het enorm leuk vinden om ook eens ‘broadcaster te spelen’, men doorgaans toch liever vermaakt wordt door een ander. Traditionele media blijven in dat opzicht een voorname rol vervullen, ook al zal die aan verandering en erosie onderhevig zijn.
Voor mij is de eind conclusie na het lezen van alle informatie over dit onderzoek opnieuw dat er vandaag, en zeker ook morgen, geen sprake is van of ‘oude’, of ‘nieuwe’ media. Het is EN/EN.

maandag, februari 25, 2008

Connected! to WHAT??


In Adformatie 8 (21 februari) werd op pagina 11 mijn aandacht getrokken door de vermelding van onderzoekbureau Forrester. In de eerste zin wordt Forrester aangemerkt als een gerespecteerd bedrijf dat relevante rapporten op de markt brengt. Zo is het in mijn beleving ook. De afgelopen jaren heb ik mij verlustigd aan de media overzichten die Forrester heeft uitgebracht, dus ik las verder.

Het rapport heeft betrekking op de toekomst van ‘het reclamebureau’. Conclusie van het rapport is dat “reclame bureaus consumenten bij elkaar moeten brengen in 'community’s' en interactie tussen hen (consumenten) faciliteren”. Rob Beemster eindigt zijn kritische benadering van het rapport met “Te vrezen valt echter dat het poneren van de ‘conected agency’ voor veel verwarring gaat zorgen”. Ik denk dat hij gelijk krijgt, maar dat is niet de reden om het toetsenbord te bestijgen.

Rob citeert eerder een deel van de analyse van de samenstellers van het rapport, en vindt dat die analyse ‘hout snijdt’. Ik vind van niet.
Om te beginnen de bedoelde analyse zoals door Rob verwoord: “Reclame bureaus slagen er steeds minder in om klanten in contact te brengen met de juiste doelgroep. Consumenten kijken niet meer naar irrelevante pushadvertenties en hechten meer waarde aan de mening van ‘peers’. Marketeers zien aan de andere kant hun werk steeds complexer worden, o.a. door de enorme fragmentatie van media….”. Tot zover het citaat.

Zucht. Daar zijn wij weer met de eeuwige mantra: ‘het is de schuld van de fragmentatie van media”. Dat maakt het werk van (NL, aw) marketeers veel complexer? O wat verlangen zij terug naar – pak weg – de 70’s van de vorige eeuw. Geen internet, 2 TV en 3 radio zenders - met een STER organisatie die 1x per jaar een paar spotjes per maand uitdeelde – en wat A0 posternetwerken in stegen en achteraf wegen. Echt, toen was het veel beter en makkelijker.
Dat laatste klopt, want er was immers nauwelijks keuze. Voor de rest klopt er natuurlijk ‘geen hout’ van!

Fragmentatie van media is het beste wat marketeers de afgelopen 40 jaar is overkomen!
De toevloed aan mediakanalen, ook binnen bestaande beddingen, hebben geholpen om doelgroepen gerichter te kunnen benaderen. Daarnaast heeft de toegenomen concurrentie tussen de media-aanbieders geholpen om de tarieven, om gebruik te maken van de media, aanzienlijk te laten dalen. We hebben het nog steeds over massa media. Daarin is per definitie geen ‘waste’ te vermijden. Wel aanzienlijk te verlagen. Kortom; een zegen, dat is die media fragmentatie.
Ja maar, hoor ik u al sputteren, de informatie overvloed dan? Daar is de media fragmentatie toch debet aan?
De media fragmentatie heeft er inderdaad voor gezorgd dat het aantal boodschappen dat de wereld ingezonden wordt, dus ook op ons, is verveelvoudigd. Hoewel wij allen, in de loop der tijd, beter worden in het media-multi-tasken, houdt die ontwikkeling de toevloed aan informatie (boodschappen) die aan ons worden gezonden bij lange na niet bij. We besteden bij benadering nog altijd even veel tijd aan media als veertig jaar geleden.
Per saldo krijgen wij dus tegenwoordig zeker meer impulsen ((reclame-) boodschappen), maar wij hebben geleerd er mee om te gaan. De suggestie dat de stijging van het aantal reclame minuten op TV – vergeleken met 20 jaar geleden – er toe heeft geleidt dat wij evenredig meer TV reclame zien is simpelweg niet juist. Om te beginnen kijkt geen mens naar al die zenders tegelijkertijd, en ten tweede missen mensen die TV kijken nog al wat reclame minuten. Meestal bewust.
Daar ligt de kern van het probleem. Die wordt wel verwoord in het eerste deel van de aangehaalde analyse van Forrester; “Consumenten kijken niet meer naar irrelevante pushadvertenties..”. Als zij minder vaak de eindeloze herhaling van de zelfde (voor hen) saaie irrelevante advertenties voor hun kiezen zouden krijgen en meer relevante boodschappen en variatie daarin, dan zou het al een stuk beter gaan. Negen pagina’s verderop in dezelfde Adformatie staat het ook nog eens in een kopregel: “relevantie is van alle tijden”.
Boodschappen, ook reclameboodschappen kunnen naar mijn gevoel nog steeds prima via massa media, zij het dat die lang niet meer zo massaal zijn als een halve eeuw geleden. Al die ervaring en stimuli die leiden tot het gevierde, ongeëvenaard krachtige “Word of Mouth”, die vinden toch echt ergens hun oorsprong: Media.

Om deze post niet tot een half boekwerk te laten groeien, ga ook ik hier en daar scherp door de bocht, en dat leidt misschien tot discussie. :-)
Terug naar die “connected agencies, communities’ en relevantie. Ook niet van gisteren is de constatering dat de reclame makers vooral met beide benen in de maatschappij dienen te staan. Onontbeerlijk. Op deze manier bekeken is deze Forrester analyse vooral een kwestie van oude wijn/nieuwe zakken.
Jammer?

maandag, januari 14, 2008

Snorkelen! ?

Dit is een ‘post’ die al sinds november 2007 ‘in de pen’ zit. Toch heb ik hem daar bewust een tijdje laten zweven. Ik was namelijk hoogst benieuwd of er een andere partij – welverdiende – aandacht aan zou besteden. Heel vreemd, maar dat is tot vandaag, voor zover ik dat heb kunnen waarnemen, niet gebeurd. Daarom wordt dit mijn eerste ‘media post’ in 2008.

De verbazing dat er uit de hoek van de kranten – en dan in het bijzonder door het Cebuco – nog geen aandacht aan dit onderwerp is besteed, komt bij mij voort uit het in 2007 veel gehoorde: “..kwalitatieve aspecten van dagbladen zijn (veel) belangrijker dan de kwantitatieve ophef…”. Een geluid dat vooral door Cebuco werd benadrukt.
Overigens, het relatieve karakter van dat geluid bleek afgelopen 4 januari maar weer eens in het FD. Op pagina 9 – Ondernemen en Beleggen – een nadrukkelijke opening onder de ‘kop’: “FD en nrc.next groeien snel”. In dit artikel wordt Antoinette de Ridder – uitgever en hoofd marketing van de FD Mediagroep – geciteerd. “Volgens haar bewijzen de laatste cijfers dat de restyling van de FD-krant is aangeslagen. De groei van 11% overtreft haar verwachtingen.”
Als je nu weet dat de rapportage van het HOI waaraan wordt gerefereerd betrekking hebben op het 3e kwartaal van 2007. En als je weet dat de introductie van de restyling van het FD plaatsvond op 4 september van dat jaar. Dan plaatst het de constatering van de Ridder in een bijzonder – opportunistisch – licht. Als je er heel flauw over wil doen, zou je even hard kunnen beweren dat het dan dus voor 4 september wel heel erg slecht ging met het FD. Dat is dus niet waar, de rapportage van het HOI en de mogelijke resultaten van de restyling hebben niet veel met elkaar te maken. Wat dit voorbeeld wel vertelt is dat er als het uitkomt driftig wordt gegoocheld met cijfers en feiten. Als het niet uitkomt, dan zijn cijfers opeens van minder belang.



Hè, nu ben ik op een spoor beland, waar ik helemaal niet wil zijn. Dit is beoogd als een positief bericht over dagbladen!

Op 6 november 2007 werd mijn oog op pagina 17 (Media), getrokken door de ‘heading’: “Kranten lezen is als snorkelen”. Een hoogst interessant artikel voor mediaplanners. Lees het hier. Goed, het is Amerikaans onderzoek, uitgevoerd door het
Poynter Instituut. De onderzoekmethode die werd gebruikt, “eye-tracking”, misschien in Nederland niet zo revolutionair. En ja, dat kranten lezers koppen snellen, dat wisten we wel. Maar dit onderzoek gaat verder dan die constatering en maakt de koppeling met andere media, met de ‘online’-krant in het bijzonder. Het beperkt zich niet tot de redactionele inhoud, en geeft veel informatie over advertenties, het verschil tussen broadsheet en tabloid (in het licht van de veranderingen in Nederland een ‘hot issue’, zo zou je denken).

Google meldt op 14 januari 2008 21 relevante ‘hits’ op de kop “Kranten lezen is als snorkelen”. Het zijn vooral algemeen media gerelateerde ‘nieuws sites’ die niet veel meer doen dan de artikel ‘link’ plaatsen. Hier en daar een blog. Geen aandacht bij de mediabureau’s te bespeuren. Ook niet bij de sites van dagbladen zelf.
Het artikel in NRC levert ons de topline conclusies van de acht hoofdstukken die het onderzoek beslaat. Er staat vast nog wel meer interessants in. De site van
Poynter Instituut levert minder informatie dan het NRC artikel. Hier lag, maar ligt nog steeds, een mooie kans om de mediaplanningswereld eens te prikkelen met iets ‘nieuws’.Jammer, maar de conclusie van vandaag is dat de belangenbeheerders van de dagbladen de afgelopen maanden hebben zitten ‘snurken’.

maandag, oktober 29, 2007

Valse Profeten?!


Twee weken geleden was het rondje langs de velden gwijd aan een onderwerp dat ook zijn oorsprong vindt bij John Faase (zie zijn weblog). De rondvraag kreeg de suggestive titel mee: “Onmeetbare media”. Het onderwerp kreeg een bovenmatig hoog soortelijk gewicht dankzij een opmerking van de Grote Giep. Hij vroeg zich af of wij niet (of wel) in de nadagen van de massacommunicatie zijn aanbeland. Dat zou wat zijn. Kunnen die leerstoelen direct in de hoek worden gezet.
Heel opmerkelijk was het begeleidende plaatje. Een afbeelding van een soort Eifeltoren. Met warrige sliertjes die naar kruisjes leiden. Zou die warrigheid de moeizaamheid van het bereiken moeten voorstellen? Dit leek toch eigenlijk veel meer op een zendmast met massabereik.
Maar goed, de rondvraag.
Hierin participeerden vijf vakbroeders, allen met een research link. Twee van een onderzoekbureau, 1 van een mediabureau, 1 van een mediumgroep (RTL) en de management consultant van Metrixlab. Dat lab lijkt een verwijzing naar obderzoek.
De voorgelegde vraag was; “weten we echt niet meer wie we bereiken?”

Wat volgde was een fijne verzameling stokpaardjes, (voor-) oordelen, reclame voor eigen standpunten en verkoop praatjes.
Niemand zei ja, of nee, en wel hierom.
Natuurlijk doken de ‘usual suspects’ fragmentatie, effect is belangrijker dan bereik, interactie met de klant, methode van dataverzameling, enzovoorts langs. Maar een antwoord? Niet gelezen.

Het is alweer een tijd geleden, maar Joost Swarte heeft jaren in Vrij Nederland een vermakelijk strip-item verzorgd onder het motto “Niet zo / Maar zo”. Mooi absurd. Daarom vast aandachtpunt. De inhoud van deze rondvraag was een prachtig voorbeeld van “Niet zo”,

Is de vraag wel te beantwoorden, zo hoor ik u vragen. Zeker. Er is zojuist een nieuwe Printmonitor gelanceerd. Voor en heleboel titels kan vrij goed worden vastgesteld wie er met die titels bereikt worden. Hetzelfde geldt voor TV, radio en in steeds meerdere mate ook voor allerlei pagina’s op internet. Allemaal media die nog steeds heel goed in staat zijn massa's te bereiken.
Punt is wel dat er nog veel meer kleine dan grote ‘media’ zijn (nog een suspect? Hier, de ‘long tail’). Zolang die media heel klein zijn, weten wij niet goed wie zij bereiken. De reden om er dan toch gebruik van te maken vindt zijn oorsprong dan in (nog 1x) het buikgevoel van betrokkenen. Maar dat is ook niet nieuw.

De verwarring wordt al maar groter door heel hard 'verwarring' te roepen. En elkaar na te doen. We willen graag alles weten. Dat lukte vroeger niet, en dat lukt nog steeds niet. Maar we weten toch zoveel meer dan vroeger. Zeker als we massa’s willen bereiken.


Helaas kon ik op het net geen voorbeeld van “niet zo” van Joost Swarte vinden. Wel van ‘maar zo’!

dinsdag, augustus 14, 2007

I hear you knocking

….but you can’t come in. Een hit(je) van Dave Edmunds in de vroege jaren 70. Ik dacht er gisteren aan, toen ik dacht over de mogelijkheid van deze ‘post’. Vanmorgen hoorde ik het nummer voor het eerst sinds jaren op Arrow Rock. Toeval bestaat niet. Zegt men. Vandaar maar weer eens een mening.

Adformatie leverde afgelopen week een soort ‘nastoot’ rond het programma De Gouden Kooi. Het opent met nieuws verkregen uit onderzoek dat in haar opdracht is uitgevoerd. De voornaamste uitkomst blijkt “Meer dan de helft van de Nederlanders vindt dat adverteerders omstreden (?) tv-programma’s als DGK moeten boycotten”. Waar een land zich toch druk over kan maken, denk ik dan, maar dat was al bekend.
Een meerderheid? Ja, 53,4% van 600 ondervraagden van 18 jaar of ouder steunden deze stelling. Ik sta er niet versteld van. Dit soort stellingen levert ook zonder probleem een meerderheid op voor de stelling dat alle reclame op televisie na 12 uur s’nachts moet worden uitgezonden. In mijn ogen zou die 53.4% dan ook niet als ‘nieuws’ aangemerkt mogen worden.
Nee, in het licht van al die commotie rond het programma, veroorzaakt door de hoeders van de goede smaak (in relatie tot tv-programma’s) is het % van 53,4 eigenlijk onwaarschijnlijk laag. Toch? DGK heeft zich in de laatste weken – het is zomervakantie, dus er valt niet veel te beleven op het scherm – weten op te werken tot kijkcijferkanon van Tien. Heel regelmatig kijken ruim 400.000 mensen naar DGK. Vierhonderdduizend. Zo uitgeschreven lijkt het zelfs nog meer. Maar uitgedrukt in een percentage is de 4% niet in zicht.
Zijn die andere 46% eigenlijk niet het grote nieuws? 16% is ronduit tegen de stelling en maar liefst 31% ‘weet het niet’.
Ik wil hier niet zo ver gaan te beweren dat de potentie van DGK ‘kennelijk’ enorm veel groter is dan de 400.000 kijkers van nu. Dat ligt overigens vooral aan mijn eigen afkeer van het programma. Als je er 2 keer over na denkt, en je voorstelt dat dit programma op RTL of SBS te zien zou zijn geweest, dan durf ik mijn hand er niet meer voor in het vuur te steken.

Wat ik nu mis in zo’n onderzoek is het inzicht in de psyche van die 400.000 die wel eens kijken. Wat vinden en vonden die er nu van.
Op de Adfo-blog heb ik een poging gewaagd om de discussie over de mogelijke schadelijke gevolgen van reclame rond DGK voor adverteerders 180 graden te draaien. Onder die 400.000 kijkers van het programma moeten toch snel circa 100.000 personen zijn die wel eens boodschappen doen bij AH. Wat vinden deze kijkers er van dat AH zich van hen distantieert. Niet zozeer door er geen reclame meer uit te zenden, maar wel door het zo nadrukkelijk in de pers te melden. Natuurlijk was er niemand die hier op reageerde. Het is immers veel makkelijker om zonder je volledige naam te noemen, even snel in te kloppen dat je ‘het ook een kut programma vind’. Wat dat betreft was het niveau van de meeste reacties bedroevend. ‘I hear you knocking’. Hmm, meer ‘never mind the bollocks’.

Jammer, van het onderzoek dus. Dit, dit was geen nastoot, hooguit een ‘kets’. DGK kan mij gestolen worden, maar let op mijn woorden, dit is niet The End.

zaterdag, juni 09, 2007

Geloofwaardigheid?

De voorlaatste post was eigenlijk geïnspireerd door de vraag van Adformatie’s Leon Bouman of ik mijn mening wilde geven over de geloofwaardigheid van mediaonderzoek. Nadrukkelijk ingegeven door het SPOT initiatief om zelf het tijdbestedingsonderzoek nog eens dunnetje over te doen. En met resultaat! De Adformatie bijdrage mocht 100 woorden omvatten. Regelmatige bezoekers van deze blog weten dat dit op zijn zachtst een uitdaging voor mij is. De eerste ruwe tekst bedroeg dan ook ruim 250 woorden. De eigen bezem wist dat uiteindelijk tot 200 terug te brengen. De redactionele vaardigheid van Bouman knipte verwed, maar ik kan mij goed vinden in het afgedrukte resultaat. Het biedt mij mooi de gelegenheid de onder zelf restrictie geproduceerde tekst van 200 woorden hier te publiceren. Lees en vergelijk!

De vraagstelling luidde:

Volgens onderzoek van het Uitgeversverbond is de tijdschriftlezer dol op advertenties en onderneemt een meerderheid geen andere activiteit tijdens het lezen. Maar volgens tv-promotieclub Spot wordt juist het merendeel van de leestijd gecombineerd met andere media, en wordt tijdens het tv-kijken het minst gemultitaskt. Hoe geloofwaardig zijn dit soort onderzoeken nog?


Op zich is er niets mis met de geloofwaardigheid van media onderzoeken. Zij moeten alleen ook echt worden gelezen en men dient zich te realiseren wie de afzender is. Vervolgens is de interpretatie van de uitkomsten afhankelijk van de eigen kennis en kunde gebaseerd op ervaring.
JIC initiatieven? Graag. Spot verklaart zich overigens ook bereid om het onderzoek in 2008 met andere partijen te herhalen. Het is echter een illusie dat dit leidt tot onderzoeksuitkomsten die alle partijen aanstaan. Het is niet voor niets dat mediabranche (vakblad-) onderzoek nauwelijks nog bestaat. Met Summo ging het heel lang goed. Over DM gonst het gerucht dat het einde nabij is. Dat gaat dan nog om zogenaamd harde uitkomsten. Levendig herinner ik mij het Mediabelevingonderzoek van 10 jaar geleden. Alle mediumtypen wisten hier data aan te ontlenen die de eigen communicatie kracht over het voetlicht brachten. Allen kozen een eigen invalshoek en/of interpretatie. Allen hadden gelijk. Maar de markt is niet meer gewend te lezen. Verder dan het oppervlakkige plaatje. De verwarring sloeg toe. Weer sneuvelde een mooi onderzoek.
Ook ik juich over gezamenlijke initiatieven. Niet van uit de verwachting dat deze onderzoeksuitkomsten onomstreden zullen zijn. Meten is niet altijd weten. Wel ‘meer weten’.

woensdag, juni 06, 2007

Up en Down


"Oplage kranten stijgt wereldwijd (in 2006)". Dat nieuws las ik in op Adformatie.nl gisteren. Oud nieuws meende ik. Dat heb ik een paar maanden geleden al eerder gelezen. De volgende zin was wel een verrassing voor mij. “Ook de inkomsten uit advertenties zijn toegenomen.” Althans volgens de WAN. Daarna volgde nog een hele rits van weetjes waarmee je een ‘krantenmens’ een groot plezier kan doen.

Vandaag ontvang ik de Research Brief (van US Centre for Media Research).
1x raden.

First Quarter Newspaper Print Ads Down, Online Up!”

Zowel voor de kranten sites als de papieren versies. 1 ding is mij duidelijk:
De US is NOT the World, en andersom.

Gek word je ervan, die conflicterende nieuwsberichten. Wie kan je nog vertrouwen? Behalve jouw eigen ogen? Ik pleit voor 1 centraal wereldwijd gecoördineerd nieuwsberichten centrum. Dan kunnen dit soort verwarrende berichten gewoon niet meer.
Als het wel gebeurt, dan is het iedereen in de context direct duidelijk waar het om gaat.


Zou ik de BVA aan mijn zijde vinden?


1 dag later (7-6). Opnieuw Adformatie.nl. In Nederland dus wel een weersalg van het wereldbeeld van adverteren in kranten. Lijkt het.

donderdag, mei 03, 2007

Have a Life!



U hebt er vast van gehoord? Sterker, ik lees dat bijna 1 op de tien Nederlanders actief is in – of is her op – 2nd Life.



Dat vond ik opzienbarend. Toen ik er namelijk driekwart jaar geleden van hoorde was er wereldwijd sprake van een paar honderdduizend ‘spelers’. Want dat is het in essentie. Een spel waar in je kunt zijn wie je zou willen zijn. Althans, ook in 2nd Life moet je wel presteren. Met heel veel geld kom je ook een eind. En dat is waarschijnlijk de crux. Als het om geld gaat lopen Nederlanders immers in het algemeen niet achter in de rij. Het genoemde bericht suggereert het ook nadrukkelijk; “de helft van de ‘deelnemers’ heeft een account uit zakelijke overwegingen”.
Hmm, de keren dat ik er de afgelopen maanden over las, 2nd Life, had dat een seksuele context. Nieuwe deelnemers worden opgewacht door virtuele hoeren die je op een lapdance traceren en ook pedofielen hebben hier gesticht of gevonden wat in 1st Life onbetamelijk wordt gevonden. CDA jongeren en ‘de minister’ toonden zich verontrust.

Ook in dit bericht wordt hier aandacht aan besteed en grappig of tragisch genoeg blijken er ook kinderen te zijn die zich als volwassen voordoen en genoeglijk cybersex consumeren. Over maatregelen van de overheid.of Justitie heb ik niets meer gelezen. Hoe zou dat ook kunnen? We hebben het hier over iets dat niet bestaat. Behalve als er natuurlijk geld aan te pas komt. Als daar echter een cyber wisselkantoor aan te pas komt, dan klinkt mij dat ook nog niet zo makkelijk in de oren. In relatie tot opsporen.

Afgezien van bovenbedoelde minkukels moet er toch meer aan de hand zijn? Kijk, dat BNN en Talpa er actief zijn, dat is begrijpelijk. Cross mediaal, u weet wel. Maar dat Randstad er ook actief is, dat lijkt verrassend. Je kunt toch immers zijn wie je wil zijn? Kennelijk niet. En om als ‘loser’ niet continue in die Haagse strandtent rond te hangen, komt Randstad dan natuurlijk goed van pas. Wat zou Randstad daarvoor ‘beuren’?

Terug naar die ‘1 op de tien”, nu ja bijna, er is namelijk sprake van 8,5%. Dat zou betekenen dat er momenteel ‘bijna’ anderhalf miljoen Nederlanders een 2nd Life leven.
Waarvan ongeveer 750.000 met zakelijke motieven. Verbluffend. Verbijsterend.
Waar was ik de afgelopen tijd?
Op gestaan en een rondje gemaakt. Dan moeten er toch flink wat collega’s regelmatig virtueel rondhuppelen. Ook meteen gevraagd of zij kennis hadden ‘aan een Jekyll & Hide’ Het viel tegen/mee.
Twwe personen gaven toe een account te hebben maar niet heel actief te zijn. Sommigen – Let wel, het is hier een mediabureau! – hadden geen idee van dit leven.
Maar eens even gekeken op de start site. Wat lees ik daar?

Heel even word ik overvallen door trots, er zijn ‘net’ iets meer dan 6 miljoen bewoners van 2nd Life. Wat een wereldburgers zijn wij toch, wij vertegenwoordigen mooi 25% van deze wereld!
Even later stort de virtuele euforie wreed aan flarden. Op de Nederlandse site blijkt de 50 duizendste deelnemer te zijn geregistreerd. Het kan natuurlijk zo zijn dat wij als wereldburgers .nl links laten liggen en niet minder willen dan .com. Maar het lijkt mij voorlopig een illusie. Een hype, waar de Engelse muziekpers een puntje aan kan zuigen.

Hoe zit het dan met dat onderzoek? Onder 5572 Nederlanders, dat zijn er niet te weinig. Vermoedelijk een populatie van ‘gamers’ en andere ICT ‘nerds’. En dan is die 8,5% opeens weer geruststellend weinig.

Ik tik ze vriendelijk op de virtuele schouder: “Jongens, get a life”.

maandag, maart 26, 2007

Nederland: Onderzoekland !


Dat mag je toch wel stellen.
Daar hoef je geen onderzoek voor te doen. Wat dat betreft is geen onderzoek naar Irak (oorlog participatie) eigenlijk een sprookje (ongelofelijk).

Waar komt deze eruptie vandaan, vraagt u zich vertwijfeld af? Wel, ik lees zojuist dat onderzoek de toename van eenvormigheid (van muziekaanbod, aw) op de Nederlandse radio heeft bevestigd.
Zeker, dat was nodig.

Wat is er dan onderzocht? De speellijsten van de verschillende stations, zijn die gedurende een week of twee onder de loep gelegd?
Nee hoor, een vragenlijstje is voorgehouden aan ruim 600 respondenten, van wie 90% ouder dan 20 jaar. Wel 65% van deze ondervraagden is het eens met de stelling dat muziek die wordt uitgezonden op de populaire stations, de afgelopen jaren meer op elkaar is gaan lijken. ? Maar 65%, vraag ik mij dan af?
Wie zijn in godsnaam dan die ander 35% geweest? Laten wij hopen dat ‘zij’ geantwoord hebben: “weet ik niet”. Dan te bedenken dat het vast een voorgekauwde stelling is geweest, normaal gesproken is het ondenkbaar dat 65% tot een dergelijk eenduidige formulering komt.

Ook is ‘men’ ontevreden over het muziek aanbod; “Liefst 32% van de 90% vindt dat er te weinig muziek wordt gehoord die zij leuk vinden”. Nu is 32% volgens mij een riante minderheid, maar dit soort ‘quotes’ onderstrepen de volstrekte onzin van dit soort ‘onderzoekjes’. Er zit immers een hemelsbreed verschil tussen horen en draaien.

Een volgende ‘eye-opener’ meldt dat ‘de indruk bestaat dat veel DJ’s plaatjes draaien die zij zelf leuk vinden’. Veel is kennelijk bijna 100%, dat vermoed ik omdat het % niet genoemd wordt. Treurig, want in elk artikel dat in krant of tijdschrift aan DJ’s wordt gewijd kan je lezen dat alleen de absolute ‘toppers’ zo 1x in het uur iets naar eigen smaak mogen draaien. Let wel, onder de voorwaarde dat het past in het ‘format’.
De werkelijkheid is natuurlijk helemaal andersom. DJ’s haten veelal de muziek die zij moeten draaien. Dat is de reden dat zij gedurende programma’s oeverloos uit de nek zitten te kletsen. Tegenwoordig ondersteund door allerhande ‘side-kicks’.
Daar komt nog eens bij dat die formats gebaseerd zijn op onderzoek naar de muzieksmaak van de reguliere luisteraars van dergelijke stations. Echt, elke luisteraar krijgt de muziek die hij/zij verdient!
Lulkoek dus, dit onderzoek (maar dat wist u natuurlijk al).
Rest de vraag wie er belang bij heeft dat deze onzin ons netvlies bereikt? Excellent Radio, jawel. Heel hip geafficheerd als XLnt Radio. Een nieuwe aanbieder van 12 unieke radiostations, Zonder geleuter en reclame via de kabel van CAIW.

Ah ja……